Met kapucijner of parochiale voelsprieten in het leven: Sint-Jobstijdingen

SJTnMet een klik op het menublokje “Sint-Jobstijdingen”, zie ik dat het sinds juni 2017 geleden is dat het gelijknamige informatie-blaadje van onze lokale kerkgemeenschap Sint-Antonius werd rondgedeeld.In tegenstelling tot wat de naam laat vermoeden, werden onze Sint-Jobstijdingen jarenlang gebruikt om te informeren over parochiale activiteiten en gebeurtenissen, meestal goed nieuws dus! Er was ook plaats voor gedachtenspinsels uit het gewone dagdagelijkse leven gegrepen, met christelijke gevoeligheid en ook kritische blik van de schrijver op zichzelf of op de maatschappij.

Ruwweg zo’n 25-tal jaren geleden vond het ik reeds een verrassing om maandelijks tussen de briefwisseling, kranten en reclameboodschappen dat ene A4-tje te vinden. Ik begon te lezen. Eerst snel, diagonaal, gretig als ik was om te weten te komen waarover het deze keer ging. Daarna rustig, herlezend, alle fijngevoelige lagen trachtend te vatten.      

Het schrijven en ronddelen van de Sint-Jobstijdingen gebeurt ondertussen niet meer. En toch zijn er nog mensen die gevat, ontroerend, of beroerend hun ervaringen kunnen neerpennen. Zoals bijvoorbeeld een "nieuwe" parochiaan, Marcel. En dus, wie weet, krijgen we af en toe, vanuit het Patersbos, een nieuwe Sint-Jobstijding te lezen, maar nu via de website.

 

“A la guerre comme à la guerre” liet viroloog Marc Van Ranst zich ontvallen bij het begin van de bruuske invoering van de strenge lockdownmaatregelen. Al te gemakkelijk werden deze beslissingen als bescherming tegen een ‘oorlog’ gebrandmerkt, weliswaar tegen een onzichtbare vijand.

In een opiniestuk van Tertio weerlegt filosofe D. van Brederode deze stelling: “We zijn gevangenen van een denkfout waarin het virus als een bedreigende, vernietigende vijand wordt gezien. Maar het virus doet dat niet met opzet, vanuit een wil tot macht. Het virus handelt niet vanuit wrede onmenselijkheid. Dàt kunnen alleen mensen. Het virus mag meedogenloos lijken, maar het weet helemaal niet wat mededogen is. Wij mensen weten dat wél”. Zij hoopt dat regeringsleiders maar ook journalisten en hoofdredacteurs zullen stoppen met dit ongepaste taalgebruik. Hier is geen sprake van oorlog want er zijn inderdaad geen doelbewuste misdadigers, frontlinies noch wapens. “Waar die wél zijn, dient dat te worden benoemd, aan het licht gebracht en vreedzaam ontmanteld” schrijft ze verder, “En dat alvorens we geloven dat oorlogen ook een soort virussen of natuurrampen zijn”… (uit Tertio, mei 2020)

Marcel - juni 2020

Ik zag hem duchtig de ruiten reinigen toen ik er langs fietste : een ex-collega die toevallig hetzelfde appartementsgebouw betrekt. Eigenlijk noem ik dit zijn tweede woonplek want het grootste deel van het jaar verblijft hij in Spanje. Altijd bruingebrand, maar dan écht.

Zondag = rustdag = naar de mis gaan

Al lachend riep ik hem toe : “Amaai.. en ’t is zondag vandaag!”. Het was er uit alvorens ik het goed en wel besefte. Een mens draagt zijn jeugd en opvoeding zijn hele leven mee: ‘Zondag = rustdag = .. naar de mis gaan..’.   Natuurlijk kan een mens evolueren evenals zijn omgeving zodat achteraf bepaalde standpunten en/of gewoontes verwaarloosd raken of genegeerd worden. Het omgekeerde geldt echter evenzeer : er zijn van die principes die je herontdekt of waarvan je nog feller overtuigd geraakt naarmate je ouder wordt! Dat ‘de zondag geen weekdag is’ is er bij mij zo eentje.  

Te horen aan zijn alerte reactie :”En gij, al naar de mis geweest?” kon hij het niet verhelen dat we beiden duidelijk tot dezelfde generatie behoren en in grote lijnen met dezelfde ideeën werden grootgebracht. Eerlijk, ik schrok van mijn eigen daaropvolgende prompte reactie : “Da’s zeker, gisterenavond!”. Meestal ga ik inderdaad op zaterdagavond naar de week-endviering in de nabijgelegen kloosterkerk.

Maar dat het bijwonen van de wekelijkse eucharistieviering tegenwoordig verre van evident geworden is, hoeft hier geen verder betoog. Het hele concept van de zevende dag uit het Scheppingsverhaal is voor mij echter onverbloemd ‘heilig’, ook in zijn meest seculiere betekenis.   Eén dag per week dat het leven even mag stilstaan : met totaal andere zaken bezig zijn of.. met niets! Al is dit laatste voor velen zo goed als onmogelijk en oorzaak van de zo gehate zondag-blues..

De zondagsmis heft meer te maken met rituelen en "samen vieren" dan met devotie

De zondagsmis : het heeft meer te maken met rituelen en ‘samen vieren’ dan met devotie. We kunnen niet zonder rituelen.   Verjaardagen vieren, bijzondere gebeurtenissen herdenken : ze zijn heilzaam voor lichaam en geest en doen ons bovendien gemeenschap vormen met anderen. Devotie zonder tastbare impact of uitzicht op “wat gij voor uw broeder doet” heeft meer weg van mentale zelfbevrediging. In het andere uiterste kan het zelfs verworden tot fundamentalisme want religie beleef je niet op je eentje. Toen een gewezen buurvrouw onverwachts nauwgezet de zondagsmis begon bij te wonen was dit van tijdelijke aard : van zodra de chirurg haar echtgenoot voor genezen verklaarde werd deze opflakkering van devotionele overgave voor haar opnieuw overbodig. Ronduit belachelijk of noem het beleefd : puur bijgeloof.

Niettemin geef ik eerlijkheidshalve toe dat er praktisch geen zondag voorbijgaat zonder dat ik me de vraag stel : “Wat doe ik hier eigenlijk?”. Mijn misbezoek verplicht me telkens weer naar de essentie te gaan. Reginald Moreels, al jarenlang chirurg in onmenselijke Afrikaanse toestanden, zei het nog onlangs : “Geloof en twijfel zijn onafscheidelijk met elkaar verbonden”. Onze deken formuleerde het vorige week op deze manier : “Sommigen onder u zien deze viering als een zondagsplicht, anderen voelen de behoefte om hier wekelijks inspiratie en kracht uit te halen om hun leven zinvol en vruchtbaar uit te bouwen”.

Voor mij en voor al diegenen onder u die denken dat het gras elders steeds groener is schreef Guido Vanheeswijck, auteur van ‘Onbeminde gelovigen’ : “De gelovige weet dat hij geen pasklare antwoorden heeft maar voelt zich wel gedragen. De echte ongelovige is zeker dat hij niet gedragen wordt. En dat is overigens minstens even moeilijk als geloven”. …

Marcel - maart 2020

Opvallende teksten en markante spreuken sieren de wanden van menige huis-, woon- of werkkamer. De dagelijkse bewoners van de genoemde ruimtes gaan er meestal achteloos aan voorbij.  Niet de toevallige bezoeker die slechts sporadisch met deze hersenspinsels geconfronteerd wordt. Soms lijken deze woorden banaal, maar dat is niet altijd het geval.

BZN

Alhoewel ik er op jeugdige leeftijd enigszins meewarig kon over doen, heb ik de veelzeggende kracht van spreuken zoals deze van de Bond Zonder Naam o.a. gaandeweg leren waarderen. De verhelderende tekst op de keerzijde stemt onvermijdelijk tot nadenken. Enige woordspeling is de auteurs soms niet vreemd en waar dit de zeggingskracht ten goede komt, is er zeker niets mis mee.  Integendeel.

ENKEL een ‘GEZEGDE’?

Maar een uitgestalde tekst zegt ook iets méér dan alleen zijn feitelijke inhoud: hij ‘verraadt’ in zekere zin wat belangrijk is (of was) voor de betrokkenen. De woorden zijn de waardevolle uitdrukking van gevoelens, ervaringen, soms van trauma’s die huisgenoten ooit hebben beleefd, begeesterd, laat staan ondergaan.

Op een avond-rommelmarkt aan onze Belgische kust viel mij een op het eerste gezicht weinig originele tekst op.  Eenvoudig ingekaderd, klein van formaat:

ER ZIJN GEEN PROBLEMEN…  ER ZIJN (alleen) MENSEN…’ 

“Simpeler kan het niet”, was mijn eerste reactie…maar het liet me niet los. Zijn directheid en alleszeggende helderheid trokken me aan. Ik laveerde verder tussen een slecht ruikende hamburgertent en fel geurende oosterse wellness-standjes tot ik rechtsomkeer maakte en merkte dat het kadertje omgevallen was. Bezijden was een barst zichtbaar en de prijs was intussen gehalveerd. “Symbool van onze menselijke kwetsbaarheid” bedacht ik erbij. In de hall thuis heb ik het opgehangen. Het herinnert me aan een moeilijke periode op het werk waar het niet vlotte met een dwarse chef, een kerel waar praktisch iedereen mee botste maar die, om duistere redenen, lange tijd door hogerhand werd beschermd.

“MENSEN”…

“Waar mensen zijn, wordt ge-menst” zei een vroegere studiemeester smalend, maar hij wist voorzeker waar hij het over had. “Het zijn de mensen zélf die alles zo ingewikkeld maken” verduidelijkte hij. Ook ik denk dat soms. Kijk naar de sport: niemand ontkent de weldoende invloed en noodzakelijkheid van ‘bewegen’ maar de schandalen in de internationale voetbalwereld, de dopingaffaires in atletiek- en wielermiddens zijn door mensenhanden op touw gezet en verraden de oorspronkelijke zuiver positieve beweegredenen. Idem dito wat religie betreft: op zichzelf een uiterst waardevol reservoir aan verhalen, waarden, raadgevingen…maar door sommige leden van het Instituut zélf van zijn oorspronkelijke missie afgeleid. De actuele afschuwelijke excessen begaan in naam van een ‘godsdienst’ maken dit begrip heden ten dage zelfs haast onbespreekbaar.

'Er zijn geen problemen…er zijn mensen” is de eeuwige uitdaging van de mens om met zichzelf én de Andere in het reine trachten te komen'

mb

ONTMOETING…

Ik schatte hem rond de 80. Met een bundel schorshout onder de arm stapte hij langzaam-voorzichtig langs de rand van de hoofdweg. Omdat ik tijdig terug in het hotel moest zijn voor mijn vrijwilligersjob vroeg ik hem naar de bushalte. En, of er een herberg was waar ik even kon verpozen? “Il n’y a pas de café ici” klonk het prompt. Even in gedachten verzonken stemde ik mijn ritme af op zijn traag-bedachtzame pas. Een kerk was er ook niet. Maar “il y a deux chapelles au village” vergoelijkte hij zich.  Plots hielt hij halt, draaide zich om en vroeg : “Vous voulez un café?”. Enigszins verrast aarzelde ik even maar ging tenslotte in op zijn onverwacht voorstel. “Il n’y a pas beaucoup d’ordre” mompelde hij terwijl de voordeur piepend opendraaide. Een oudere man op zijn eentje : ik had niets anders verwacht.

Ik vroeg hem of er een herberg was waar ik even kon verpozen? “Il n’y a pas de café ici” klonk het prompt. Plots hielt hij halt, draaide zich om en vroeg : “Vous voulez un café?”.

Half september en de houtkachel was al flink op temperatuur. In dit druk-overbeladen interieur verhoogde zijn warmte de intieme gezelligheid. Ervaring leerde me geen lastige vragen te stellen aan onbekenden. Zijn eenvoudig-eerlijk uitnodigend gebaar stelde me echter op mijn gemak.

Eigenlijk woonde hij in de stad 25 km hier vandaan maar af en toe zocht hij de rust en stilte op van deze plek in het hooggebergte. Spijtig genoeg kon zijn hond zich hier niet gewennen: deze bleef liever “chez la mère à la maison”. Ik nam aan dat hij hiermee zijn echtgenote bedoelde. Zijn ogen lichtten op toen hij opmerkte dat dit huisje dateerde van … 1658(!). “C’est marqué sous la toiture du côté de la chaussée”, verduidelijkte hij. Even bekroop mij de neiging een foto te maken maar hij was er niet op gesteld. Zulke zaken kun je niet forceren. Trouwens : de mooiste herinneringen bewaren we niet op papier of in digitale geheugens : zij wonen in ons hart.

De koffie smaakte naar hartelijkheid en de aangeboden sterke drank bracht me op een idee. Ik besloot ’s anderendaags terug te komen en hem -ongevraagd- een flesje lokale ‘schnaps’ te brengen. “A l’année prochaine” riep hij me na toen ik zijn ouderwetse knusse woonst verliet.

De mooiste herinneringen bewaren we niet op papier of in digitale geheugens: zij wonen in ons hart.

Zelfs gewapend met de allerbeste bedoelingen lopen de zaken niet steeds zoals gewenst. De dag na onze verrassende ontmoeting klopte en belde ik vergeefs aan zijn deur. Hij had me gisteren zijn lievelingsdrank verklapt: een soort ouwe klare van kweeperen (coings). Wellicht zie ik hem nooit meer terug. Op de dorpel van zijn droomhuisje liet ik het flesje achter met een kort dankwoord. Misschien duurt het wel een hele poos eer hij het vinden zal. Dat is niet zo erg. Dankbaarheid heeft eeuwigheidswaarde. Zoals echte liefde. Over de dood heen. En trouwens : alcohol kan ook tegen een stootje : vriestemperaturen deren hem niet…

Dankbaarheid heeft eeuwigheidswaarde. Zoals echte liefde. Over de dood heen.

Intussen was het laat geworden en met de lijnbus zou ik niet op tijd in het hotel geraken. Zoals in onze studenten- en legertijd strekte ik mijn arm met opgerichte rechterduim. In een verlaten bergachtige streek zoals deze, waar weinig verkeer langsrijdt en openbaar vervoer slechts schaars wordt ingezet, rekende ik op de diepverborgen primaire goedheid van de mens… Met succes: de eerste voorbijrijdende wagen kneep kriepend de remmen dicht! Ik kreeg zelfs niet de kans om een woord te zeggen: de bestuurder bleef een gesprek voeren via zijn mobieltje waardoor ik amper de mogelijkheid had hem te bedanken bij het uitstappen. Alsof mensen behulpzaam zijn de normaalste zaak van de wereld was!? Wanneer goedheid ‘vanzelfsprekend’ wordt, is het paradijs héél dichtbij…

Wanneer goedheid ‘vanzelfsprekend’ wordt, is het paradijs héél dichtbij…

Zo hoog in de bergen, in de overweldigende natuurpracht van dit gebied, was het alsof ik even de Hemel had aangeraakt. Letterlijk.

Marcel

 

“Bid voor mij… “

Je zou het hem niet onmiddellijk aangegeven hebben.  Bij een vorige gelegenheid duurde het wel enkele dagen alvorens zijn eerbare status ons bekend raakte: hij was priester.  Zelfs op zijn vergevorderde leeftijd nog hier en daar ritueel en confessioneel actief. Hij sprak zacht, bedachtzaam, dikwijls niet gespeend van enige humor tegenover mensen met wie hij al wat meer vertrouwd was. Een zeer aangenaam gezelschap.

In het hooggelegen alpijnse grensdorpje waar ons hotel gevestigd was droeg hij de mis op. Mede tot voldoening van de inwoners die hoogstens eens per maand de zondagsdienst konden bijwonen in hun overigens prachtig barokke kerkje. Het orgel was niet toegankelijk maar er stond een oud harmonium vooraan bezijden het altaar waarop ik een paar stukken improviseerde in de stille momenten. Tijdens de preek merkte ik duidelijk een glimlach op de gezichten van jonge volwassenen op de voorste stoelenrij.  Onze geestelijke leidsman sprak tot het hart van de mensen. Het verhaal van de Verloren Zoon … in het Jaar van de Barmhartigheid!

Tijdens het ontbijt evolueerde het gesprek over de klassieke seniorkwaaltjes via prothese-perikelen naar… euthanasie. Geen woord dat zoveel mensen tegenwoordig zo hevig beroert als dit. Toen ik opmerkte dat Hugo Claus, na zijn beslissing tot vrijwillige levensbeëindiging, ooit toegaf “dat hij niet besefte dat sterven zó lastig was”, deed onze priester-kompaan zijn verhaal. In haar laatste levensjaren nam hij zijn hoogbejaarde moeder op in zijn eigen woning. Met de nodige inzet van hulpverlenende instanties maakte hij haar het leven zo aangenaam mogelijk. Zij respecteerde zijn drukke bezigheden maar durfde tussendoor wel eens diplomatisch te informeren “of hij ook vandaag veel verplichtingen had?”. Hij wist wat dit betekende en deed er alles aan om haar die dag mee te nemen op restaurant of samen een oude gebuur op te zoeken. Zij liet niet na hem hiervoor herhaaldelijk haar diepe erkentelijkheid te betonen. Maar elke avond speelde zich onveranderlijk hetzelfde scenario af. Wanneer hij haar in bed had toegestopt fluisterde ze hem toe : “Priez pour moi mon cher fils pour que je ne m’ éveille plus...”.  Hij was te fijngevoelig en kompassievol tegenover haar die hem op de wereld had gezet om enige ergernis omtrent haar vraag te manifesteren. Ach, als je een stuk boven de 90 bent, je man en meerdere dierbare naastbestaanden reeds hebt zien heengaan, dan is geduldig mededogen tegenover haar aandoenlijke wens het minste wat je menselijkerwijze kan opbrengen. 

Op een stralende zondagochtend tijdens het ontbijt is zij gestorven. Net nog de morgenstond gehaald om afscheid te nemen.  Ingaan op de smeekbede die zij dagelijks prevelde heeft hij nooit gedaan.  Maar bidden deed hij wél. Ook dagelijks: met zijn grote levendige, liefhebbende handen. Geen groter gebed dan dit.

Getekend: Marcel, een nieuwe parochiaan, en welkom hier.